Woensel is niet wat het lijkt

Door Luuk van den Einden en Bibi Staals

Woensel staat bekend als een van de meer beruchte gedeelten van Eindhoven: een achterbuurt, een bolwerk van hangjeugd en crimineeltjes. Maar is dit ook echt zo? Een bezoek aan de buurt op een willekeurige dinsdagmiddag scheen van dat idee weinig heel te laten.

 

Het winkelstraatje waar wij neerstrijken oogt wat aftands en kaal; tegenover de winkels een groenstrookje, daarachter sobere rijtjeshuizen en daarachter een kolossaal zorgcomplex. Ook met de winterse kilte in gedachten ziet het geheel er weinig veelbelovend uit. De eerste mensen die wij aanspreken, zijn echter positief: ze wonen met plezier in hun wijk en hebben nergens last van.

“Ja, van het verkeer heb ik soms last”, meldt Mia, die op het terrasje van de bakkerij een kop koffie drinkt.

 

Ook verderop in de wijk blijkt weinig mis te zijn. De handvol mensen die wij op straat tegenkomen – bijna zonder uitzondering gepensioneerden – hebben niets te klagen. We zoeken de drukte van een winkelcentrum op in de hoop daar meer diverse verhalen te horen. Ook hier geen spoor van de hangjongeren die Woensel volgens de verhalen plagen. De enige die hier een bankje bezet houdt, is een oudere dame, Marlies geheten. Als zij haar bamischijf op heeft, staat ze ons te woord.

 

“Ik woon hier al vanaf ’83 – dat is lang, hè? – en ik vind het hier prettig wonen. Er verandert ook niet veel. Alles blijft hetzelfde. Ik hoef hier ook niet weg – en dat moet ook niet, gelukkig”, lacht ze.

 

Ook Piet, een bejaarde man met een grijs snorretje, voelt zich er thuis. “Ik woon hier al mijn hele leven, dat is 81 jaar. Alleen, ik vind het altijd zo jammer dat ze die mooie, oude gebouwen afbreken en er dan zo’n lelijk kantoorpand neerzetten, wat na verloop van tijd weer leeg is. Ik vind dat die lui van de gemeente de beslissing moeten nemen om, zoals ze vroeger met het oude stadhuis hebben gedaan, de verantwoordelijken alsnog voor de rechter te slepen wegens wanbeleid.”

 

Op de vraag of hij verder nog ergens last van heeft, antwoordt hij ontkennend. “Van wie? Allemaal lieve mensen hier.” Ook over hoe de wijk in al die jaren veranderd is, spreekt hij waarderend. “Het blijft veranderen. Wat ik het leuke vind, is die mengelmoes van mensen van de hele wereld, waardoor we een wat knappere bevolking krijgen. Die lelijke Nederlanders allemaal, die worden nu wat knapper; wat bruiner, wat steviger, liever.”

 

Woensel is een arbeiderswijk, maar wel een rustige; een grijze wijk, vooral. Zijn bewoners wonen er graag en hebben nergens echt last van; ze gaan hun gang en trekken hun plan. En de geruchten, beweringen en wilde verhalen – misschien zijn dat inderdaad niet meer dan geruchten.